Home Jan Junge beleeft! Jan Junge beleeft 20 oktober

Zeehengelsport

Sponsored Links

Sponsored Links


Jan Junge beleeft 20 oktober E-mail

Gentz! Vandaag met m’n 12 jarige neefje Ruben de boot in. Ruben vist al een beetje, maar de echte verslaving, die zit er volgens mij nog net niet helemaal in. Daar gaan we dus wat aan doen. De keus is niet moeilijk, de Biesbosch in, geen gerij met de boot. Het weerbericht is een beetje tweeslachtig: wat zon, maar naarmate deze dinsdag nabij komt steeds meer wind – het moet 4 worden zegt het KNMI – géén regen, maar die wind komt wel uit oostelijke regionen. Koude nachten, tegen het vriespunt, redelijke middagtemperaturen.

 

Wanneer we in de eerste ochtendschemer bij de boot staan is het goed koud. Niet fris, maar waterkoud. Het duurt niet lang of we kunnen varen. Eerst even vertidroppen in de haven, die baars moet nou zo langzamerhand toch loskomen. Even lijkt Ruben er vis aan te hebben, maar het blijkt toch loos alarm. Even later het kanaaltje op: andere hengels en hooglopende plugjes. Geen tikje. Even met dieper lopend aas de Geertruidenbergse brug onderdoor, daar moet een mooie snoek huizen. En nog eens. Niente. Nou droppen. Goed verticalen (en droppen) is net zo makkelijk als autorijden: valt best mee als je het kunt... Kun je het niet, dan valt het best tegen. De wereld zit logisch in elkaar, welbeschouwd. Murphy knikt instemmend. Toch doet Ruben het zo gek nog niet, ik controleer een paar keer of ie echt op de bodem tikt met het lood, en inderdaad, het klopt. Let even op de aardige woordspeling! Maar vangen, ho maar! Door naar de grote kanaalbruggen. Godsamme, wat is het retekoud zeg! Ik heb een onderhemd, overhemd, wollen trui, plus nog een extra dikke wollen trui aan, en daarop een waxjas met sjaal. Maillot aan (giggel) en gewatteerde skibroek erop. Koud! Volgens mij is het niet veel warmer dan een graad of twee, drie. En dan die flinke oostenwind erop. Maar Ruben - hoewel ie gekrompen schijnt -  geeft geen krimp.

 

De Ir. Hamersbrug geeft ook al geen enkele sjoege. Door naar de Lawaaibrug. Die staat voor het eerst in mijn leven open. Onderhoud! Ik sta er even niet voor dit keer, maar vaar er onder. Die gedachte maakt me warm. Niettemin ook hier geen stootje. Wat een ...start. Door naar het Spijkerboor. In bijtende rotkou razen we de Amer over. ‘De Maas’, zeggen ze hier. Wanneer je iemand glazig ziet gaan kijken wanneer je het over de Amer hebt dan is het een inboorling uit deze streken.

 

Ruben de roofvisser!

 

Op het Spijkerboor gaan we wat dieplopender spul opzetten, niet te groot, dan kunnen we ook baars en snoekbaars vangen. En warempel, kleine rukjes verraden een vis! Ik draai een baarsje naar binnen van zeker 12 centimeter. Alle drie de haken van de dreg vast natuurlijk. Woest ruk ik het diertje van de haken terwijl Ruubje wenend toeziet. Kérels moeten het worden, geen watjes! Nee hoor, gekheid natuurlijk. Ik doe alle moeite het bekje te sparen, hetgeen redelijk lukt. De eerste is binnen! Te klein voor de foto, dat dan weer wel...

 

We varen richting de Vier Winden, da’s de grotere plas achter het stuk met die bomen aan weerskanten. Op dit stuk moeten heel veel kleinere snoekjes zitten, maar we merken er niets van. Dan droppicalen op de Vier Winden. Ook niets. Gelukkig komt er een pietsje zon door. Zit je uit de wind in de zon dan is het te doen. We gaan terug naar het Spijkerboor, maar nu richting de Sloot van St. Jan. Ook deze oever levert geen beet op. We nemen de ondiepe vaargeul langs het riet. Wéng! Yess!! Ik heb er een snoek op! En los hoor. Jammer, maar in ieder geval beet gehad. Tja, en dan gaan we slepen over de Sloot van St. Jan, over het Middelgat van de Plomp, over het Stroomgat naar het Noordergat van de Plomp. Daar slaan we rechtsaf, dat loopt dood, maar ik was er nooit eerder. Een aardig stuk water, sfeervol, mooi, nog redelijk diep ook, behalve op het laatst natuurlijk. En al die tijd geen tikje!

 

Terug. We proberen ieder denkbaar kunstaas. Geen sjoege. De oppervlakte van het water is redelijk schoongeblazen, de overvloedige waterplanten zijn al behoorlijk geminderd, maar het is toch iedere vijf minuten vuil van de haken halen. En eindelijk, bij het verlaten van de Sloot van St. Jan, bij het opvaren van het Spijkerboor, KLEUN! – de dreun op m’n hengel. Ik heb er een bepluimde deltaspinner achterhangen, die deed het vorige keer ook al aardig. Snel geef ik de hengel aan Ruben. Ga je gang! Hij doet het lang niet slecht. Probeert niet meteen de vis binnen te draaien en gaat ook niet wanhopig tegenhouden. Geeft netjes mee wanneer de snoek – want dat is het – een uitval doet. Alleen het pompen wil nog niet helemaal lukken, maar dat mag je feitelijk ook nog niet verwachten. Ik kan de vis al snel grijpen. 50-55 cm iets in die trand.

 

Ruben met zijn eerste snoek.

Let even op het jack, vét cool,met de nadruk op vet...

 

Verder richting de Vier Winden maar weer. Het is wat drukker geworden op het water. Ik zie een Quicksilver, een korte naam in witte letters erop, een zilverkleurige motor erachter, man in bruine kleding erin. We varen te ver van elkaar om te kunnen roepen, maar maken beiden het bekende gebaar met de duim omlaag... Later hoor ik van Gerrit dat het een sterk snoekende Belg is die in de nieuwe haven van Drimmelen ligt. (Z’n boot dan). Vraag het aan Gerrit, die kent iedereen...

 

We varen het lange stuk van het Steurgat naar de Driesprong. Schitterend stuk water dat Steurgat, mooi diep in het midden. Ik heb er in al die jaren twee baarzen gevangen en één snoekje. Je snapt het gewoon niet... We gaan droppicalen op de Driesprong. Doen er alles aan: diep, ondiep, links, rechts, vooruit, achteruit. Ook aan de haken doen we alles. Geven het niet snel op. Maar wederom niets...

 

Het wordt al aardig laat. We zitten tegen vieren. Ik mompel iets van ‘stoppen?’ om te peilen hoe het met Ruben staat. “Oh nee!, nog even terug naar waar we die ene verspeelden en je die andere ving!”. Kijk, dát is de mentaliteit! Volgas, maar wanneer ik de Vier Winden bereikt heb, wil ik het toch nog even proberen met het  droppie. We vissen tussen de vier en vijf meter en ik merk dat er hier groen op de bodem staat. Lastig, maar op zich niet slecht. Groen en vis gaat samen. We moeten beiden af en toe de boel opschonen, maar er is best redelijk te vissen. Plotseling hoor ik Ruben een kreet slaken en meteen daarop Jáááh! schreeuwen. Ik verwacht half dat ie wel vast zal zitten, maar een blik op z’n driftig rukkende hengeltop leert anders. Hij heeft er een op en het lijkt een goede. “Rustig aan Ruben, er kan niets gebeuren, geen paniek, laat maar gaan”. De jongen doet het uitstekend. Het is een fel vechtende vis, maar zoals zo vaak neemt ie niet echt veel lijn, alles gebeurt op tien vierkante meter, zeg maar. Door de slip gaat ie wél, en niet zo zuinig ook. Na een minuut of vijf zijn we een aardig eindje richting riet gedreven en ik kondig aan dat ik langzaam weer richting midden zal gaan koersen. De vis blijft diep en er is geen twijfel mogelijk dat dit een heel mooi exemplaar is. Lijkt me wat te snel en te furieus voor een metervis, maar tegen de negentig kan ie zeker lopen. Steeds meer lijkt dit me een snoek toe, geen snoekbaars, maar we zien ‘m niet. Wanneer ik de motor in z’n achteruit zet veert plots de hengel terug! Rubin uit een kreet van teleurstelling. Ik vermoed echter een terugzwemmer en roep mijn vismaat toe dat ie als de bliksem moet opspoelen. ‘Floep’, en daar breekt het bovenste shadje door het oppervlak! Het onderste ontbreekt. Rubin had gelijk, de lijn is gebroken. We inspecteren het 28/00 fluorcarbon. Doorgeschuurd, geen twijfel mogelijk. Dat was dus snoek en dat was dus pech.

 

Nou heb ik in de loop der jaren heel wat vissers witjes zien wegtrekken na zo’n flop. Grote kerels die met zo’n uit het topoog wapperend zweepje plotseling héél klein werden. Hol-ogig mompelend op het bankje, de schouders omlaag, het hoofd hangend. En dat waren dan mannen die net zoveel snoeken van negentig en meer op hun naam hadden staan als dat ze jaren telden. Rubin echter merkt monter op dat we snel verder moeten vissen omdat ze nu kennelijk ‘los’ zijn... Wel opwinding, geen spoor van frustratie. Opmerkelijk?

 

We vissen nog een half uur door, dan zetten we koers naar de monding van de Sloot van St. Jan. Trollend, wel te verstaan. Ik heb er de driedelige Spro Pikefighter opzitten, goede plug, in een niet te diep lopende versie. Rubin vist nu met een Deltaspinner aan de rietkant. Whàm! Ik krijg me daar een dreun van jewelste. Ja!, brul ik en reik meteen de stok over aan Rubin terwijl ik de boot in z’n achteruit gooi. Maar al na enkele seconden hoor ik het vismaatje teleurgesteld ‘eraf!’, roepen. Het is alweer waar. Jammer. Maar enkele minuten later is het Ruben die plots met een zeer kromme hengel staat. Deze vis gaat als een dolle te keer, linksom, rechts uitbrekend, klaps, recht omhoog het water uit: kopschuddend komt ie omhoog en plonst terug. Een mooie snoek, geen echte kanjer, maar wel een goede. En de haken houden het. Maar dan duikt de vis onder de boot. En weer! “Die hengeltop het water in”, insteken!, dieper!, dieper!”. Rubin heeft het moeilijk, de snoek trekt de hengel met grote kracht tegen de buitenkant van de boot en het kost veel kracht om de hengel terug te duwen om ‘m daarna dieper het water in te kunnen steken. Ik houd mijn hart vast dat de lijn ergens achter een uitsteeksel aan de bodem van de boot klem komt te zitten. Maar dan zie ik dat we vast zijn gelopen in waterplanten; we zitten aan lager wal! Ja, dan is het ook wel érg moeilijk om de hengel diep het water in te steken! Gelukkig houdt de snoek zich rustig in z’n nestje van waterplanten en kan ik ‘m vrij gemakkelijk pakken. De dreg zit in een kieuwboog en het kost me veel moeite om ‘m los te krijgen zonder die boog verder te beschadigen. Maar ik zie nog wat. De buik heeft een bolling die op ‘vis’ duidt! “We gaan in z’n strot kijken, daar moet een staart uitsteken!” En verdomd, daar is ie! Nog nét is er een klein stukje staart te zien. Ik zet de onthaaktang erop en trek. Het is goddomme een snoekje! Half verteerd natuurlijk. Dit seizoen de derde rover die een andere rover in z’n maag heeft!

 

Mooie snoek met zijn diner!

 

Snoekfilet...

 

Moet je eens zien hoe mooi wit die filet is. En hoe vinden jullie die haarscherpe afscheiding waar de maagsappen wel, en waar ze niet actief waren? En dan de graat die zich tot het uiterste verzet tegen het oplossend vermogen van de verterende enzymen. Het voorste deel van de maag blijkt niet werkzaam: alleen het uiterste puntje van de staart stak nog maar uit het keelgat: een erg fors stuk vis zat daar dus langere tijd relatief diep, maar het achterste deel ervan ziet er zo vers uit alsof het nog geen tien minunten binnen is geweest.

 

Ruben met een jetser van een snoek!

Rubens’ eerste geheel zelfgevangen snoek: 74 centimeter!

 

Gefeliciteerd Ruben! En echt heel netjes gedrild! De snoek is heel rustig. Ik doe Ruben de kieuwgreep voor. Hij is niet zo heel enthousiast om met z’n vingers een kop binnen te gaan die een paar honderd vlijmscherpe tandjes telt. Maar hij doet het wel. Toch lukt het niet meteen om de vis ideaal voor de camera te krijgen. Ruben drukt de vis tegen zich aan om ‘m goed  steun te geven. Prima hoor, alleen dat jack hè. Enfin, nou weet Rubin voor eeuwig hoe snoek ruikt. En z’n moeder ook...

 

Schitterende snoek. Terug zoals het hoort!

 

We zetten de snoek terug in het ondiepe. De vis is duidelijk uitgeput, maar blijft stabiel en gaat niet op ‘r zij. Na een paar minuten zwemt ze langzaam het diepe in.

 

Het is laag water en de vaargeul naar de Sloot van St. Jan blijkt feitelijk onbevisbaar én onbevaarbaar. Er staat een halve meter en minder water. We pakken de vaargeul van het Spijkerboor dan maar en trollen terug. We krijgen nóg een kans. Een serie lichte rukken dient iets aan dat waarschijnlijk een flinke baars is. Leuke bonus! Maar niet heus. Los! De telefoon gaat. Ineke vraagt waar we blijven. Ze heeft gelijk, we moeten nou toch echt nokken, de eerste schemer begint al. Opruimen en volgas naar de haven. En nee, dat laatste stukje trollen in het kanaaltje brengt ook niets meer.

 

Op de trailer met die boot, uitladen, inladen, dekzeil erover en stallen die handel. Ruben is nog opmerkelijk fris. Ik niet. Wanneer we naar huis rijden merk ik aan het onvervalst enthousiasme waarmee ie de belevenissen van vandaag aan het ophalen is dat we er weer een visser bij hebben. Een echte!

 

Mijne heren, tot de volgende sessie: U hoort er weer van!

 

Inmiddels Tight Lines en een Petri Heil.

 

Jan,

 

Bron: Jan Junge
© Onderlijnenvooropzee.com



Tags: Snoek  Snoekbaars  Baars  Roofvis  Kunstaas  Jan Junge  Plug  Shad  

   
   
 
Meer uit deze serie

Google Translate

Highlights

Cormoran / Daiwa

Cormoran

Sponsored Links

Sponsored Links

Onderlijnenvooropzee.com | Onderlijnenvooropzee.nl | Sea-Fishing-Tips.com
| Zeevissen | Strandvissen | Kantvissen | Surfcasting | Bootvissen | Wrakvissen | Hengelsport | Zeevis onderlijnen | Zeevis tips & trucs | Hengelsport knopen |