| Jan Junge beleeft 16 september |
|
|
Scharrelaars! Waar te vissen? Leo heeft bezigheden elders, Peet is jarig (nog van harte Peter!), Gerrit is nog steeds niet de oude, hoewel het al wat beter lijkt te gaan. Da’s dus alléén vissen. Op zich geen punt. Ik besluit om het toch eens te proberen bij Zevenbergen, daar heb je jachthaven ‘Nolleke Sas’ (hoe verzin je het...) met een helling. Alleen, wanneer gaan ze open? Beter gezegd, wanneer komt er iemand aan die het hek voor je openmaakt? Wanneer je er staat, want die zogenaamde havenmeesters, die zijn er alleen bij grotere havens, bij kleintjes moet je geluk hebben...
Dus wanneer ik om half negen aankom (de TT heeft het goed gedaan dit keer) is het hek dicht en is er niemend te zien. Op het telefoonnummer neemt niemand op, zoals te verwachten is. Tegen negenen komt er een man op een brommer aan die het hek voor me opent. De havenmeester blijkt ‘een vrijwilliger’ die op grillige tijdstippen komt kijken, soms. De haven is toch nog groter dan gedacht, maar de helling is weer eens klote. Onveranderlijk liggen die hellingen tegen een dode muur geklemd zodat ze slechts aan één kant te benaderen zijn, ze zijn ze te nauw en deze is nog steil bovendien. En men bracht er twee grote stalen U-balken in de vloer aan ‘om de wielen te geleiden’. Maar dat moet helemaal niet, want iedere spoorbreedte is weer anders en achter een trailer werkt het sowieso niet. Dat betekent piepende, schurende banden en ‘n in één u-balk scheefgezakte trailer waarmee niet te traileren is. Net zo lang steken tot de banden náást de uitsparingen staan. Wat zou ik toch graag eens in de wereld rondgaan met bommen, mitrailleurs met oneindig veel munitie, en getande zwepen: ra!-ta!-ta!-ta!-ta!-ta! - rats! rats!, klats! Heerlijk...
De boot ligt erin, nou ikzelf nog. (Geintje). Ik zet het kleine 2 delige Sprootje erop en op de andere stok de zwarte 2 delige Ukko, met geelgeverfd staartje. Varen! Meteen doemt er een fraaie tocht op aan mijn linkerhand. Dat moet de Rode Vaart zijn. Het is een aangename sloot in een prima staat van verwaarlozing. Ik maak me overigens niet de illusie dat hier zelden gevist wordt. Er staan de juiste soort houten en betonnen schoeiingen, riet, overhangende struiken en hier en daar wat flap. Bovendien heeft het water precies de juist graad van (on)helderheid) , namelijk ‘er precies tussenin’. De meer geharde jongens glimlachen begrijpend. Het is een lange vaart, maar ik vang niets. Teruggevaren sla ik links af, richting Terheijden. Al snel kom ik bij een lage spoorbrug met een mooie kom ervoor. Ik trol twee keer beide doorgangen door en ga dan verticalen. Geen tikje, jammer.
Nou ben ik nog vergeten om over het weer te berichten. Nou, dat is patent hoor! Het is fris, de jas moet dicht, er staat geen zon en het is zwaar bewolkt. Bovendien waait het stevig, vier. Die wind is dan wel noordelijk, maar in feite is dit toch echt mooi snoekweer. M wendt zich proestend af.
Ik tjoek nog een half uur langs de zware rietkraag. Het is erg stil op dit kanaal, slechts één plezierboot. Er is opvallend weinig – want geen – beroepsvaart. Ik besluit om maar eens even volgas op weg te gaan naar Terheijden, dit schiet niet op. Ik vaar een kwartier op daaromtrent met de gashandle vol open. Da’s best lang. Dan ben ik er. De aasjes gaan weer te water, vol verwachting..., u kent het. Na een kwartier krijg ik er een baars(je) op, maar dat valt er weer af. Ik doe ‘de bocht’ - de topstek dus – maar liefst vier keer met verschillende pluggen én met een shad. Niente. Het mag dan mooi snoekweer wezen, de snoek denkt daar anders over.
Ik ga de Crouwelaar-haven op. Die mooie haven, dat was dus niet de Belcrum, – dat is een vierkante bak met hoge kanten -, maar de Crouwelaar. Die haven, die heeft een helling, en die helling is van de WSV Breda. Daar ga ik aanleggen om eens over het gebruik van die helling te praten. Ik zie niemand. Het clubhuis is open, maar leeg. Beetje armoedig geheel. Dat beeld versterkt zich wanneer ik de haven inloop. Wat een krakkemikkig zootje, verval alom. Aha, daar is iemand! “Een bestuurslid?” "U hebt geluk, er is net zo iemand aanwezig, daar staat ie!” Een zware man schrobt somber de vuile bodem van z’n rubberboot. Ik doe mijn verhaal. “Da’s een bekend verhaal”, zegt de zware man, “er komen hier ieder jaar wel een dozijn vragen om te kunnen traileren, nou ja as er iemand is, dan ken dat wel, maar zullie moeten er ook weer uit hè?” Ik beaam dat volmondig. “En da’s nou het probleem meneer, we kunnuh nou eenmaal niet g’randeren da’r iemend is in d’n middag.” Juist! Dat is het ‘m, dus vraag ik of er geen sleutel beschikbaar is. “Daar is over vergaderd en dat willen de jongens niet, al dat volk op de werf.” We praten nog tien minuten over en weer, die man is welwillend, maar ik weet al snel dat het niet gaat lukken. En inderdaad, WSV’s die sleutels geven zonder lidmaatschap, dat doet mijn eigen WSV óók niet.
We trollen verder. Het is al middag en ik besluit om toch maar even Breda aan te doen. Dan pak ik alleen maar even de grotere, diepere stukken met de bruggen erover. En nog steeds lukt het niet! De roofvis zit muurvast. Eindelijk vang ik een snoekje op de ondiep lopende Mann’s Minus Stretch.
En vlak daarop een minibaarsje.
Na nog een half uur trollen komt er nog een snoekje aan boord.
Ik kijk ereis op mijn klokje. Potverdomme, half vijf al! Nou moet ik toch maar vlot terug, je weet het nooit met die haven in Zevenbergen. Stel je voor dat je niet van het terrein afkomt, je kunt wel bellen, maar dan hoor je alleen de telefoon maar rinkelen in het lege gebouwtje naast je...
Ik start en gooi de boot in een bocht. “Rammelde-klink-klang-klong!!” Wordt mijn mooie dure St. Croix stokkie bijna in de schroef getrokken! Motor stoppen, omhoog klappen. Plug weg, lijn om de schroef. Ik kan er nét bij, maar ik heb maar een héél klein zetje van Murph nodig om de plomp in te glijden. Pffft, klaar. Wegwezen. Maar wanneer ik onder de brug bij de suikerfabriek doorvaar en meer gas geef gaat de motor raar draaien en schokken. Podverdegotver, vuil in de schroef. Afzetten, opklappen, plastic zak... Precies dertig volgas minuten later vaar ik ‘Nolleke Sas’ binnen. Dat moet dus een kolere-eind weg zijn, want mijn boot – ik had nu meestal wind mee – loopt met alleen mezelf erin tegen de veertig. Zal dus best achttien kilometer zijn, en da’s eigenlijk te ver. Ik moet maar even een investerinkje doen en een 4 wheeldrive aanschaffen, kan ik er bij Terheijden in... Eigenlijk was al die drukte voor niets, want er lopen nog zat mensen rond bij de werf en het hek staat wijd open. Maar of dat midwinter nog het geval is? Ik zou er niet op durven gokken.
Nou, dat was min of meer een sofdag. Maar ik heb toch best lekker gevaren en wat nieuwe watertjes geprobeerd, altijd spannend. Wanneer ik terugrijd kom ik langs een zeer fraai cultuurwater aan de rand van Zevenbergen. Ik kan nog mooi parkeren ook en heb nog best wat tijd. Ik vis een uurtje de fraaie sloten af, en alweer: nog geen volgertje hoewel we nu in prime time zitten. Huiswaarts!
Oh ja, nog even wat. Ik heb een vervelend probleempje met de motor. Die slaat vaak af wanneer je het gas plots dichtdraait. Eerst dacht ik dat het veroorzaakt werd doordat ik ‘m wel érg langzaam stationair gezet had ivm het trollen, maar nu staat ie sneller stationair en het probleem blijft, zij het iets minder frequent. Ik heb het gevoel dat er een een of ander ‘compensatiegaatje’ of extra luchtklepje in de carburateur dichtzit.
En dan de accu nog, da’s ook mooi. Die accu van mij is een gewone zuur/lood accu, ‘onderhoudsvrij’. Je hoeft ‘m dus niet meer met gedestilleerd water bij te vullen via die dopjes. Er zit een vast deksel overheen, kom je dus niet meer bij. Maar omdat er altijd gassen vrijkomen bij het opladen (hebben we zelf ook last van, niet dan?) zitten er nog wel minuscule gaatjes in aan de bovenkant van elke cel. En zit er uiteraard ook in die deksel een gaatje. Nou heeft die accu wel ereis op z’n kant gelegen in de bagageruimte van de oto. En ja hoor, accuzuur (zwavelzuur) eruit, op de viltmat. Tot mijn stomme verbazing had die viltmat geen schade, ik heb ‘m wel gewassen trouwens. Maar nou merk ik weleens dat die accu toch nattig is. Dat komt denk ik door het stoten. Dat ding weegt 23 kilo en als ik ‘m vanuit de boot hoog op de kant zette ging dat niet heel zachies. Eén, twee, drie – bonk! Maar ook met in de auto zetten moet je ‘m rustig laten neerkomen, anders gaat ie kennelijk toch spatten. En wat denk je van verkeersdrempels? Die neem ik vrijwel altijd hard! Kijk maar eens naar de zijkant van mijn (nylon) tas.
Eerst alleen maar verkleuren, maar dat spul werkt door. Nylon weggevreten! De regenbroek die erin zat, ook weg! En nou pak ik onlangs een petje uit de auto: alsof de ratten eraan gegeten hebben, totaal naar de kloten.
Ik ga dat gaatje met een zacht materiaal als bv stopverf ofzo afsluiten. De volgende accu is een 100% gesloten type, die bestaan ook, al zijn ze duurder. Ed Nieuwenhuizen, mijn persoonlijke adviseur/verkoper bij Nion Watersport, die wrijft al in de handen... Vrijdag even niet vissen, maandag, dan weer wèl. Tot dan, de Heren horen weer van me. Inmiddels Tight Lines!
Jan Junge,
Bron: Jan Junge
|
| Meer uit deze serie | |






