Paling - Een populaire gladjanus!

Anguilla anguilla, Paling, Aal, Anguille, European eel, Common eel, Eel, Áll, Ankerias, Europæisk ål, ÅlDe meest bijzondere vissoort die we in zee kunnen aantreffen, is ongetwijfeld de aal of paling. En dan hebben we het niet over de zeepaling of conger, maar over de 'gewone paling', dezelfde die we ook in het slootje achter ons huis kunnen aantreffen. Een beetje flinke aal die in het zoute water wordt gevangen, wordt echter snel voor zeepaling uitgemaakt. Toch is het verschil tussen een paling en een zeepaling of conger vrij makkelijk te zien. Afgezien van het formaat -een beetje conger wordt makkelijk twee meter lang- is de onderkaak van de paling langer dan de bovenkaak. Bij de conger is dit precies omgekeerd.

 

Paling is eigenlijk niet echt een zeevissoort. Deze soort paait weliswaar in zee, maar een groot deel van de paling trekt het binnenwater op. Na gemiddeld vijf tot zes jaar in het zoete water -maar dat kan ook wel 30 jaar zijn- trekken ze weer naar zee. Deze paaitrek is een van de meest opzienbare biologische verschijnselen die we kennen. In het kort komt het erop neer dat paling na een aantal jaren in het zoete water te hebben geleefd naar zee trekt. Tijdens deze trek naar zee ondergaat de paling een bijzondere verandering: de buik wordt zilverwit, de ogen worden groter en het maagdarmstelsel verdwijnt. Deze paling wordt schieraal genoemd. In zee aangekomen, begint de paaitrek naar de Sargassozee, een reis van ruim 4.000 km. In die Sargassozee -midden in de Atlantische Oceaan- paait de paling. De larven, die er eerst uitzien als doorzichtige wilgenblaadjes, de zogenoemde leptocephaluslarven, worden met de Atlantische Golfstroom naar de kusten van Afrika en Europa gevoerd. Voor de kust veranderen de leptocephaluslarven in glasaaltjes, dunnen doorzichtige aaltjes. Een belangrijk deel van deze glasaaltjes trekt het zoete water in. Toch blijft ook een belangrijk deel in het zoute water 'hangen'. En dat zijn de exemplaren die we als zeevisser vangen.

 

Anguilla anguilla, Paling, Aal, Anguille, European eel, Common eel, Eel, Áll, Ankerias, Europæisk ål, ÅlLange tijd heeft men gedacht dat de mannetjes voornamelijk in het zoute water bleven en de vrouwtjes het zoete water opzochten. In werkelijkheid ligt dit een stuk ingewikkelder. De meeste glasaal die de kust bereikt, is namelijk geslachtloos. Het geslacht wordt veel later in de ontwikkeling bepaald en is in belangrijke mate afhankelijk van het voedselaanbod. Palingen die veel te vreten hebben, worden vrouwtjes en de wat minder bedeelden ontwikkelen zich in de mannelijke richting. De vrouwtjes worden ook veel groter dan de mannetjes. De paling die we in zee vangen, is in vergelijking tot het zoete water meestal van het vrouwelijke geslacht.

 

Opmerkelijk is ook dat de kopvorm van paling kan veranderen door het voedselaanbod. Palingen die voornamelijk vis eten, krijgen een brede bek ['breedbekken' of 'slokkers']. Vissen die klein voedsel als muggenlarven eten, ontwikkelen een spitse bek en worden dan 'spitskoppen' genoemd. De paling in zee leeft hoofdzakelijk van kreeftachtigen, wormen, zagers en vis. Vooral zachte krab, dat is krab die net is verveld en daardoor nog geen hard pantser heeft, is een zeer geliefd voedsel. Waarschijnlijk verspreidt een net vervelde krab een bijzonder aantrekkelijk luchtje, want een op de haak gemonteerde krab wordt zeer snel door een paling gevonden. In vergelijking met de zeepaling [er zijn zelfs congers gevangen van meer dan drie meter lang] wordt de aal minder groot. Toch kan ook de paling behoorlijke afmetingen bereiken. Vrouwtjesalen kunnen zelfs uitgroeien tot lengtes van 130 cm. De wettelijke maat is 28 cm.

 

Anguilla anguilla, Paling, Aal, Anguille, European eel, Common eel, Eel, Áll, Ankerias, Europæisk ål, ÅlHelaas zijn de palingvangsten de afgelopen jaren dramatisch teruggelopen. Ving je vroeger op een mooie zomeravond zonder al te veel moeite een tiental vette alen, nu mag je blij zijn met een enkele paling. Alleen wat verder uit de kust wordt zo nu en dan nog redelijk gevangen. Het seizoen '99 toonde zich daarentegen weer eens van een wat betere kant, zodat een gematigd optimisme wellicht op zijn plaats is. Over de reden van de gestage teruggang van de aal zijn de meningen verdeeld. Genoemd worden onder meer overbevissing, parasieten en klimaatverandering. Ook wordt wel eens gesuggereerd dat het voorkomen van paling wordt bepaald door een langjarige cyclus. En natuurlijk worden ook de aalscholver en de zeehond het beklaagdenbankje weer ingeduwd. Zeker is dat de visserijdruk op de aal in het zoete water extreem hoog is en dat er daarnaast sprake is van een intensieve visserij op glasaal door landen als Spanje, Portugal en Frankrijk. Deze glasaal wordt of geconsumeerd of opgekweekt in palingmesterijen. De kans om zich voort te planten, zit er voor deze paling in ieder geval niet meer in.

 

Door zeevissers wordt de aal buitgewoon gewaardeerd om het feit dat hij -of liever zij!- [over]duidelijk de aanbeet op de hengeltop laat zien en zich niet gemakkelijk gewonnen geeft. Bovendien is het een vis die voortreffelijk smaakt.

 

Waar en wanneer?

Schitterende paling vanaf de kant!De aal of paling komt nog steeds algemeen voor, zij het niet meer in de aantallen van weleer en slechts mondjesmaat in de Waddenzee. In de Ooster- en Westerschelde wordt hij regelmatig gevangen. Maar vreemd genoeg niet vanaf het strand van Dishoek en Zoutelande en de kop van Walcheren. Goede stekken zijn wel weer het Calandkanaal, de Maasvlakte, de Nieuwe Waterweg, de golfbrekers tussen Hoek van Holland en Scheveningen, de pieren van IJmuiden en in het bijzonder de Noordpier bij Wijk aan Zee. Naar het noorden nemen de vangsten af, al kan het ook wel eens op de Noordhollandse golfbrekers feest zijn. Voor bootvissers en in het bijzonder de kleine-bootvissers gelden dezelfde kustgebieden. Zij kunnen echter omdat zij niet plaatsgebonden zijn, waterdieptes vinden waar de aal op dat moment de voorkeur aan geeft.

 

De eerste alen melden zich vaak al in de tweede helft van maart of begin april, maar het echte vangseizoen begint meestal pas eind april en loopt door tot eind oktober. Juist in de voor- en natijd vangt men de grote exemplaren, terwijl midzomer meer kleine aal wordt gevangen.

 

In helder ondiep water aast de aal voornamelijk 's nachts, maar wanneer de zee troebel is of bij bewolkt weer vang je ze ook overdag. Een spiegelgladde zee en helder water in combinatie met zonnig weer zijn in ieder geval funest. Een ruwe zee met een hoge branding is evenmin wenselijk, maar een beetje golfslag kan geen kwaad. Bovendien houdt de aal van water dat matig en soms zelfs stevig stroomt. De periode van opkomend en afgaand water verdient de voorkeur.

 

Hengelmateriaal?

Wie naar een speciale palinghengel zoekt, komt bedrogen uit. De aal wordt aan hetzelfde materiaal gevangen als platvis, wijting en gul. Van een echte dril is bij de aal geen sprake. De hevig kronkelende vis, zeker als het een grote is, moet zo snel mogelijk op de kant worden getrokken en dat betekent een stevige zeewerphengel tussen de vier en vierenhalve meter, een snelle en sterke werpmolen met een lijndikte tussen de 30/00 en 40/00 of een vergelijkbare Dyneema of Spectralijn met daaraan een voorslag. Op de [kleine] visboot kunnen kortere [uptide]hengels worden gebruikt tot max. drie meter en iets mindere snelle [maar wel krachtige] werpmolens of werpreels.

 

Voor stromend wordt veelal gekozen voor een vast lood met ankers en daarboven een onderlijn [paternoster] met twee of drie haken. Afhouders aan zo'n lijn garanderen weliswaar een optimale aasaanbieding, maar zijn nadelig wanneer de aal als te doen gebruikelijk de onderlijn in de war draait. Men kan beter zonder afhouders vissen, voor het hoofdgedeelte van de onderlijn dik nylon [70/00 of 80/00] gebruiken en de haaklijnen op max. 40/00 houden. Zit de lijn in de knoop, dan knip je de dunnen haaklijnen af en is het dikke hoofdgedeelte makkelijk te ontwarren. Kies voor de haak een langstelig model, bijvoorbeeld de Aberdeen in de maten no. 6 [kleine aal], 4 en 2. Deze laatste voor een flinke dot zeepieren, een hele zager of zeebliek.

 

Onderlijn voor paling op stromend water.

Stroomt het water niet of nauwelijks, gebruik dan een paternoster in combinatie met een werplood zonder ankers. Kies dan een schuiflood met daaronder een lange wapperlijn van ca. 75 cm. Veruit het prettigst vist en werpt een wartellood of Arleseybomb, die over de lijn [meestal voorslag] schuift. Monteer dan eerst een schuivende speldwartel op de lijn en bevestig daaraan het wartellood. Door deze constructie kan je snel van lood[gewicht] wisselen. Aan het eind van de hoofdlijn of voorslag komt weer een speldwartel als stuitje voor het schuiflood en aan deze wartel komt de wapperlijn. Ook bootvissers maken van deze systemen gebruik, met dat verschil dat hun lood vaak iets zwaarders is en men vanuit de boot ook in een stevige stroom met schuiflood achter de boot kan vissen.

 

Onderlijn voor paling op stilstaand water.

Aas?

Paling - Vergeet je schepnet niet!De aal is een geduchte rover die er niet voor terugdeinst visjes en krabben van een behoorlijk formaat te grijpen. Zeepieren en zagers zijn veruit favoriet. Zagers vangen vooral goed wanneer zij enkele dagen oud zijn en een beetje stinken. De laatste jaren is ook het vissen met meshelften populair, terwijl in gebieden waar steurkrab voorkomt, zoals de Nieuwe Waterweg, ook dit aas erg gewild is. Verder laat de aal zich vangen aan de tap [groot soort zeepier], zachte krab, jonge haring [zeebliek], zeegrondel, kleine wijtinkjes, of een reepje vis, bijvoorbeeld uit een wijting. Aan kunstaas wordt vrijwel nooit aal gevangen.

 

Bron: Zeehengelsport

© Onderlijnenvooropzee.nl